Ergens, ooit en in een samenleving die verdacht veel leek op die van ons, was er een selecte groep mensen die bij wet belast was met het handhaven van de openbare orde en het verlenen van hulp aan mensen die dat nodig hadden. Deze groep werd officieel ‘politie’ genoemd, maar kreeg van de samenleving ook een boel andere namen. Minder neutraal en niet altijd terecht. Dat wist ook Ron, die zich al twintig jaar op onregelmatige tijdstippen bewapend en in uniform door deze samenleving bewoog.

Ron had alles al een keer gezien. Scheld- en vechtpartijen, steek- en schietpartijen, (zelf)moord en doodslag, verkeersongevallen en nog meer verschrikkelijks. In de loop der jaren had hij een mentaal schild ontwikkeld om zichzelf te beschermen tegen andermans pijn en verdriet, al maakte zijn medemenselijkheid het vaak onmogelijk om helemáál gevoelloos te blijven. Vooral de noodkreten van slachtoffers die hij niet had kunnen helpen en de momenten waarop hij zelf voor zijn leven had moeten vechten, met alleen zijn vrouw en kinderen in gedachten, hielden hem nog weleens uit zijn slaap.

Ron had veel gezien, maar bleef zijn werk doen. Het was voor hem een soort roeping, een tweede natuur. Een aangeboren morele plicht, naast een haast ziekelijke hang naar actie. Ron wilde van belang zijn, dienen. Hij aanschouwde het meest vreselijke, onderging het onmogelijke, handelde in onmenselijke situaties en behandelde de meest verschrikkelijke zaken naar eer en geweten. En hij bleef overeind. Ondanks de haast tot haat uitgegroeide agressie die hij vanuit de samenleving jegens zijn uniform voelde, zo’n beetje elke dag- en nachtdienst.

Haat waar hij het moeilijk mee had, maar die hij wel kon begrijpen. Ook hij had immers weleens moeite met het onderscheid tussen goed en kwaad. Hij deed echter zijn best om langs zijn beroepsdeformatie heen te kijken, wetend dat respect werkt als een boomerang. Eerst gooien, dan vangen. Daarbij wist Ron dat iedereen aan het eind van de dag ook maar gewoon mens is. Net als hij. En niet als Michel, zijn collega.

Michel was een dorpsjongen die vijf jaar geleden als beste van de klas zijn politieopleiding had afgerond en sindsdien in de grote stad werkte. Michel deed zijn werk volgens de regeltjes en vooral in het handhaven excelleerde hij. Tijdens de pauze genoot Michel zichtbaar als hij onder het genot van het kopje koffie vertelde over zijn heldendaden.

In werkelijkheid sleet Michel zijn dagen vooral met het bekeuren van “panty’s” en “bontkragen”. Of van “zwarten” en “haakneuzen”, zoals hij het “tuig” ook wel noemde. Michel was een gewetenloze glibber. Gevallen van langdurig huiselijk geweld waarbij de vrouw maar bleef terugkeren naar haar agressieve man, verklaarde hij met de gevleugelde uitspraak dat “jeuk erger was dan pijn”, onder het buldergelach van zeker 60% van zijn collega’s.

Michel was een zelfingenomen en kortzichtige klootzak. Hij zou zijn eigen moeder nog een oor aannaaien als hij de kans kreeg. Binnen de machocultuur van het korps was hij meerdere malen een expert op het gebied van de menselijke anatomie gebleken: hij werkte met de ellebogen, haalde witte voetjes, likte hielen en kuste hoger geplaatste kontjes om zich zo in rap tempo te ontwikkelen tot een bepalende factor binnen zijn ploeg en op de afdeling. Zijn werk was niet zijn roeping, het was gewoon zijn werk. Werk met een wapen, werk met gezag. En daar ging het hem om.

Michel was namelijk bij de politie gegaan om niets anders dan het gevoel van macht. Logisch, want niemand wist dat hij door pesterijen op de basisschool nog altijd vocht tegen een diepgeworteld minderwaardigheidscomplex. Op de plaats waar ooit zijn zelfvertrouwen zat, zat een leegte die hij probeerde op te vullen met een grote muil en een wijzend vingertje. Omdat hij “verdomme de baas was op straat” in een stad waarvan hij voordat hij er werkte niet één stoeptegel had gezien.

Het afgelopen jaar was Ron tot Michel veroordeeld als zij samen meldingen reden. Michel verstond onder werktijd de kunst om rustige situaties door zijn arrogante kwallengedrag naar burgers toe, binnen no time te laten escaleren. Zodra de vlam in de pan sloeg kon Ron het vuile werk echter opknappen om even later, in het bijzijn van collega’s en leidinggevenden, van Michel te horen hij degene was die het allemaal eventjes had opgelost. Terwijl mensen als Michel de belangrijkste reden waren dat het vertrouwen in de politie en dus ook in Ron, gestaag verslechterde.

De samenleving legde Ron en zijn handelen namelijk onder precies hetzelfde vergrootglas als dat van Michel, omdat laatstgenoemde en zijn soortgenoten nu eenmaal het imago van de politie bepaalden. Steeds vaker hoorde Ron de mening van zelfbenoemde deskundigen aan en werd hij voor het gemak op dezelfde hoop gegooid als het geüniformeerde rapalje dat doorgaans terecht bespot, bespuugd, uitgehoond en veroordeeld werd. Ron en zeker 40% van zijn collega’s waren gestopt met vechten. Ze hadden zich berust in deze gang van zaken of ze waren er gaandeweg aan onderdoor gegaan.

Ik had graag verteld dat Ron met succes pleitte voor een strengere selectie van mensen die aan een ambt met enige autoriteit wilden beginnen. Ik had graag verteld dat hij een grotere en meer coördinerende rol binnen het korps kreeg. Ik had graag verteld dat de media en de samenleving vaker zouden luisteren naar Ron, maar niets is minder waar. Ook moet ik concluderen dat de politiek geen oog had voor de verhalen van de slachtoffers van Michel.

Toen Michel op een dag een dronken zwerver in mekaar schopte en stelde dat hij dit deed omdat de dakloze zich zo ongelooflijk hevig verzette terwijl zijn collega toekeek, ontving hij namelijk bloemen van de gemeente omdat de samenleving zo ontzettend onterecht over hem heen was gevallen. De samenleving en de media hadden weer een reden om de politie als homogene groep te benoemen en te behandelen en zodoende had Ron op alle fronten weer wat uit te leggen. Tragisch, maar logisch. Waarom?

Hoe hoger in de korpspiramide, hoe hoger het Michel-gehalte doorgaans ligt. Hoe meer Michel-incidentjes, hoe slechter het imago van de politie. Hoe slechter dit imago, hoe lager het vertrouwen en het respect vanuit de maatschappij. Hoe harder dit zich zo ontwikkelt, hoe minder ruimte er overblijft voor nuance. En vanaf dit punt groeit de kloof tussen samenleving en overheid, met de politiek en media als medeplichtigen.

De oplossing voor het probleem staat tussen de regels van deze korte geschiedenis. En volgens mij hebben we nog een lange weg te gaan.

 

0