Deze tekst is opgedragen aan mijn goede vriend Mustafa, onze zuurverdiende centjes en al het onrecht dat ons en onze lotgenoten is aangedaan door mensen van het zwart-met-gele leed dat Stadstoezicht heet.

Robbie, zo heet ie. Robbie is onlangs 40 jaar oud geworden. Robbie heeft een melkwit huidje en een gezellige, bolle toet. Robbie z’n voorste tanden staan een beetje over elkaar. Misschien staan ze ook een beetje opvallend ver naar voren. Misschien is dat wel de reden dat Robbie vroeger erg is gepest. Kindjes in de klas noemden Robbie vroeger weleens ‘Broer Konijn’, of ‘slagtand’. Of gewoon ‘lelijkerd’. Dat was heus niet leuk, hoor.

Om zo snel mogelijk van school af te komen, zette Robbie zijn tanden flink in zijn huiswerk. Verder ging hij op kickboksen, zodat hij zich met hand en tand kon verdedigen tegen zijn verbale belagers. En ook wel omdat hij boksen een bitje in mocht, zodat zijn tanden minder opvielen. Gelukkig had Robbie altijd veel steun aan zijn moeder, die er altijd voor hem was met troostende woorden en een warme kruik. Tot op de dag van vandaag, want Robbie woont nog steeds bij moeders. Gewoon, omdat dat supergezellig is.

Zijn moeder stopt hem nog elke nacht een warme kruik toe. Robbie is nogal een koukleum, vandaar dat hij extra blij is met zijn nieuwe baan. Hij mag sinds kort zo’n veertig uur per week een lekkere warme, zwart met gele jas aan. ’t Is wel een beetje een deftige jas, maar wel gewoon een hele fijne. Robbie is er maar wat trots op. Stiekem reist hij er weleens in van en naar werk, met de tram. Zo kunnen alle mensen zien hoe trots Robbie precies is.

Heel stiekem houdt Robbie zijn jas ook weleens aan als hij gaat slapen, maar dat mag zijn moeder niet weten. Zij heeft Robbie weleens betrapt toen hij geüniformeerd naast haar wakker werd, nadat hij bij haar in bed was gekropen omdat het keihard onweerde ’s nachts. Ze zei toen dat slapen in de kleding die je de hele dag aan hebt gehad terwijl je die de volgende dag ook weer aandoet, heel erg vies is. Robbie schaamde zich toen heel erg, want hij wist dat zijn moeder gewoon ontzettend gelijk had. Maar Robbie houdt gewoon heel erg van zijn werk. Echt heel erg.

Robbie z’n werk is namelijk elke dag een feestje. Hij opereert doorgaans in een dynamische omgeving, waarin hij belast is met het handhaven van de openbare orde en het bieden van hulp aan burgers die dat nodig hebben. Zo staat hij burgers bij met raad, daad en hele hoge boetes. Hij is de baas. En dat vindt Robbie echt te gek. Het gros van zijn collega’s trouwens ook. Eigenlijk zijn ze allemaal een beetje de baas over alles en iedereen. Het dagelijkse werkgebied is eigenlijk een soort spelletje voor Robbie. In dit spelletje zijn hij en z’n kornuitjes supersterk en van ijzer. Ze hebben ontelbaarmiljoen veel levens. Welles.

Robbie wil een wereld waarin alles naar het parfum van z’n moeder ruikt. Waarin alle verkeersborden van chocolade zijn en waar iedereen zich houdt aan de regeltjes zoals hij die tijdens zijn examen voor dit werk geleerd heeft. Robbie wil dat dieren kunnen praten en dat auto’s in plaats van vieze stinkrook gewoon confetti in de vorm van sterretjes uitstoten. Helaas zijn er heel veel mensen die niet dezelfde visie hebben. Dat zijn stoute mensen, net zoals zijn klasgenootjes van vroeger.

Gelukkig hoeft Robbie nooit alleen de straat op en gelukkig heeft Robbie altijd zijn speciale superjas aan. Zo kan hij alle stoute mensen pakken. Net goed, stoute mensen. Moesten jullie maar normaal doen.

Robbie pest het allerliefste jongetjes en grote meneren. Zwarte jongetjes of grote meneren, opgeschoren jongetjes of grote meneren, jongetjes of grote meneren met mooie auto’s, jongetjes of grote meneren die lekker ruiken en al helemaal jongetjes of grote meneren die bijdehand zijn als Robbie ze aanspreekt op hun gedrag. Jongetjes of grote meneren die Robbie een weerwoord geven, terwijl ze heel goed weten dat ze bijvoorbeeld niet mogen samenscholen. Terwijl alle jongetjes en grote meneren weten dat ze heel goed moeten letten op waar, wanneer en hoe lang ze hun auto’s parkeren. Dat ze hun enge honden aanlijnen en hun vuilniszakken goed in de container stoppen.

Stomme jongetjes en grote meneren. Ze moesten eens weten hoe lang Robbie soms wacht op zijn kans om ze ergens op te pakken. Nou, dan zouden ze wel weten hoe vastberaden Robbie is en het echt niet proberen om hem op andere gedachten te brengen.

Als zulke jongetjes of grote boze meneren echt boos gaan doen en Robbie uitschelden, bedreigen of zelfs in elkaar proberen te slaan, wordt Robbie soms wel een beetje bang. Dan belt hij de politie. Ook als Robbie de kans heeft om een burger in nood daadwerkelijk te helpen, belt hij zijn collega’s van de kit. Want politieagenten zijn collega’s van Robbie hoor, echt. Vrienden zijn het, eigenlijk. Echte vrienden, want alleen echte vrienden helpen mekaar.

Robbie klaagt veel over de agressie die hij tegenkomt in zijn werk. Soms huilt hij er weleens om. Z’n dikke tranen zouden helemaal niet nodig zijn, als Robbie zou begrijpen dat je gezag en respect eigenlijk hoort te verdienen. Dat een vriendelijk woord en een ontspannen uitstraling er in de grote stad voor kunnen zorgen dat je niet te maken krijgt met nare begrippen als confrontatie en escalatie. Dat je eigen acties bepalen welke reacties je krijgt. Robbie en z’n collega’s zien niet in dat je krijgt wat je geeft, zoals je oogst wat je zaait. Zoals je aantrekt wat je uitstraalt.

Tot Robbie en z’n vriendjes ontdekken dat de wereld heel anders in elkaar zit dan ze denken, zal het eind zoek zijn. En tot die tijd zal ik op ze blijven schelden. Stadstfoezicht, tuig van de richel.

0