Hij had het ooit uit moeten pakken. En hij mocht het niet weggooien, Koos. Hij moest er zelfs blij mee zijn. Maar hij zag het als een cadeautje waar hij nooit om had gevraagd, het leven.

Hij had het echt wel geprobeerd hoor, blij zijn. Bij het uitpakken was dat niet eens zo heel lastig. Ontdekken hoe mensen zijn en hoe de wereld in elkaar zit, doet niet meteen pijn. De pijn kwam later pas. Koos had namelijk al vrij snel door dat hij niet gemaakt was voor de tijd waarin hij was geboren. Koos voelde veel te veel. En over wat hij voelde, kon hij dan weer uren piekeren.

Koos kon niet meekomen met publieke opinies en algemene opvattingen. Kijken naar het nieuws, deed Koos pijn. Hij wilde niet mee met de waan van de dag. Hij wilde een samenleving zien, in plaats van een maatschappij. Een maatschaappij, vol kuddedieren. Koos was geen kuddedier. Koos keek nooit, Koos zag. Hij hoorde niet, hij luisterde. Hij dacht altijd twee keer na, in plaats van dingen zomaar aan te nemen. Hij wensten namelijk niet te spreken, maar dingen te vertellen. Leerzame dingen, mooie dingen. Lieve dingen. Arme Koos. Hij was geen geboren pessimist, maar een gedesillusioneerde optimist. Die zijn nog veel erger.

Koos werd geboren in een systeem dat draaide om presteren. Zakelijk en financieel presteren, hogerop komen. Scoren. Eigenlijk vroeg iedereen constant het uiterste van zichzelf en van anderen, alsof de maatschappij op die manier zichzelf een vette worst voor hield. Men staarde zich blind op materie. Al vrij snel zag Koos de gevolgen van deze manier van denken en handelen. Zijn tijdperk kenmerkte zich door moreel verval, door mentale leegte. Hij had gezien hoe mensen slechts harder en dommer leken te worden.

Koos kon niet genieten van oppervlakkig entertainment, Koos kon geen respect opbrengen voor machtsmisbruikende autoriteiten. Hij kon niet kijken naar eenzijdige belichting van het nieuws, naar mensen die elkaar de hersens insloegen. Hij wilde niet luisteren naar hypocriete regeringsleiders. Hij kon, wilde en zou nooit begrijpen hoe de wereld zo ontzettend ziek was geworden. Hoe mensen zich konden gedragen, zoals ze zich gedroegen. In een wereld die de verzadiging voorbij leek te zijn. Niemand leek zich druk te maken om wat er van de wereld terecht zou komen. Gáán, daar ging het om. “Gáán!” Alsof de wereld zijn voetbalvader was. En Koos een jongetje zonder benen.

Koos wilde terug naar vroeger. Vroeger maakte je voor het eten niet eerst een foto van je eten, alsof eten naar je lacht. Vroeger ging je gewoon eten. Vroeger beweerde je niet met een stalen gezicht tegenover je digitale omgeving dat je het keihard naar je zin had op een feestje. Vroeger had je het binnen je fysieke omgeving veel te druk met het naar je zin hebben op een feestje.

Vroeger was talent een vereiste om beroemd te worden. Vroeger was leedvermaak zielig. Vroeger was lief zijn een deugd, inmiddels was het meer een handicap. Vroeger was inhoud belangrijker dan vorm. Vroeger degradeerde je met klootzakkengedrag, inmiddels vierde je er een kampioenschap door. En Koos was het zat. Helemaal zat.

Vaak had hij geprobeerd het bespreekbaar te maken, maar mensen vonden hem overdrijven. Of ze snapten hem niet. Of hij zeurde maar wat. De hele wereld was van plastic, maar Koos niet! Koos was de beste, Koos had het allemaal door. Koos deed alles wel goed. Beter dan het klootjesvolk. Koos was de enige die wakker was tussen alle zombies. Ja hoor, hij wel. Mensen lachten Koos een beetje uit of ze begonnen opzichtig te gapen op het moment dat hij tegen ze sprak. Koos was een hippie, een mislukte wereldverbeteraar met ijdele hoop. Een rare vogel. En hij wist het.

Koos voelde zich helemaal niet beter dan een ander, hij dacht alleen dat de wereld een stuk mooier zou kunnen zijn als iedereen na zou denken en wat verder zou kijken. Als we met z’n allen een stapje terug zouden doen. Als we even één moment stil zouden staan bij waar we nu eigenlijk met z’n allen aan het doen waren. Maar hij wist dat het niet zou gebeuren. Hij wist dat het aan hem lag, dat hij een aparte vent was. Dat hij afweek van de norm.

Koos wilde wel, maar hij kon het niet. Hij kon niet gewoon de knop omzetten, gewoon meedoen en gewoon leven. Gewoon een papiertje halen en gewoon een baantje nemen. Gewoon iemand uitzoeken en daar gewoon gelukkig mee worden. Het ging Koos allemaal niet lukken en dat maakte hem buitengewoon ongelukkig. Het stemde hem verdrietig. Intens verdrietig. Verdoven ging niet meer, allang niet meer. Koos was radeloos.

Ontsnappen in zijn eigen droomwereld leek lang een goed werkend kogelvrij vest, zijn glimlachend masker was lang een gedegen pantser gebleken. Maar de druk, het onbegrip, de ogenschijnlijk blinde en maar al te hoorbaar dove medemens, het leven, de wereld: ze vormden het pistool tegen Koos z’n hoofd. Tot hij negen millimeter verwijderd was van genezing van het syndroom van clown.

Alleen, eenzaam, in het donkerste hoekje van zijn brein, in het donkerste hoekje van zijn kamer, op de bodem van het leven en het randje van de dood, koos hij. Koos. Voor het gegeven paard dat ‘leven’ heet.

0