Ik wilde wel graag, maar het lukte nooit. Ik kon niet geloven dat er een plek op aarde is, waar de zon altijd schijnt. Figuurlijk hè, in de glimlach van lieve mensen. Een plek op aarde, waar de geur van verse koffie en zojuist afgebakken brood vechten om voorrang in lange gangen met vele felgekleurde deuren waarachter pure passie en intens plezier schuil gaan. Waar bepaalde delen van de vloer oplichten zodra je er een stap op zet, als in die clip van Michael Jackson. Een plek waar het openzwiepen van elke willekeurige klapdeur een windvlaag met rook en glitters veroorzaakt. Waar de mensen elkaar hartstochtelijk begroeten, alsof ze elkaar al jaren kennen. Elke dag weer. Een plek waar enkel het hartverwarmende geluid van oprecht lachen klinkt. Waar iedereen onbezonnen zichzelf kan zijn. Een plek waar iedereen getolereerd, geaccepteerd en gerespecteerd wordt. En waar dieren kunnen praten. Zo’n plek bestaat inderdaad niet. Er is echter wel een ge-wel-dig alternatief. Kantoor.

Op kantoor zijn alle ingrediënten voor een gelukkig leven aanwezig. Je moet er alleen wel voor openstaan. En dat doe ik, nu al dik twee maanden. Ik houd van mijn kantoor. In de weekends ben ik niet te genieten, omdat ik me thuis helemaal suf verveel. De tijd gaat langzaam, als je ergens ontzettend naar uitkijkt. En ik kijk me een partijtje uit zeg, op zaterdag en zondag. Teringjantje. Ik kan niet wachten tot het maandag is. Want op maandag begint mijn werkweek. Op kantoor.

Als dat verschrikkelijke weekend erop zit, is het maandag. Als de wekker gaat, spring ik uit bed. Ik douche, poets m’n tanden en ren naar de metro. Goed geluimd reis ik af naar het centrum van Rotterdam. Man, als ik even voor 09:00 uur de hoofdingang van het gebouw waar ik werk betreed hè. Damn. Dan ben ik soms zó gelukkig, dat ik overmand raak door emoties. Meer dan eens treft men mij huilend in de lift aan. Op de vierde etage mag ik eruit.

Ik klamp mij vast aan de eerste de beste collega die ik zie. Als het een vrouw betreft, geef ik haar drie kusjes. Als het een man betreft ook, overigens. Ik ben gewoon één brok liefde. Ik vraag alle vijftig mensen op onze afdeling of ze koffie willen, in de hoop dat ze mijn vraag allemaal bevestigend beantwoorden. Je moet het toch samen doen hè, werken. Als blijkt dat iedereen ‘toevallig net voorzien’ is, haal ik voor mezelf. Meestal scoor ik een espresso, pikzwart. Dan kan het feest beginnen.

“ANTTI SUMIALA! OH! OH-OH! OH-OH!”

In mentale voorbereiding op een gepland overlegmoment waarin we verschillende bullets op de flipover zullen behandelen, trek ik mij terug. Vrijwillig zit ik op een kantoor zonder collega’s. Niet omdat ik niet van de mensen op mijn werk houd, niet omdat in de zomermaanden zo’n beetje iedereen op vakantie is, maar omdat ik het maximale uit mezelf wil halen. Ik stoei gewoon graag met concepten die we niet over het weekend kunnen tillen, maar deze week nog dienen te worden afgetikt. Ik weet dondersgoed dat ik in veel processen hier gewoon de linking pin ben.

Ondanks mijn drukke agenda maak ik het mezelf wel gemakkelijk, zo in m’n eentje. Werkplezier kun je niet hebben, natuurlijk. Werkplezier moet je maken. Ik doe dat door dezelfde e-mail een stuk of dertig keer uit te printen. Puur en alleen omdat er onderaan sommige mails staat: ‘Denk bij het uitprinten van dit bericht aan het milieu.’ Om dezelfde reden print ik op A3-formaat weleens wallpapers van clowns en confetti uit. Kijk ik niet eens naar, dan. Ik maak er proppen van en pleur ze weg. Niks mee te maken!

Als ik de nodige FW: en Fwd: mailtjes gelezen heb en ongeremd gelachen heb om de vele verfrissende moppen die erin staan, kan het echte werk beginnen. Ik ga weer koffie halen. Meestal loop ik daarbij op mijn handen, terwijl ik namen van vergeten voetballers scandeer. De tijd vliegt als je pak ‘m beet Antti Sumiala, Dirk-Jan Derksen en Tieme Klompe gedenkt. Echt wel.

“ER IS MAAR ÉÉN TIEME KLOMPE! ÉÉN TIEME KLOOOOMPE!”

Nu sta ik op kantoor bekend als deugniet. Dat zal u niet verbazen natuurlijk, na het lezen van het voorgaande. Ik ben een echte schobbejak. Een doerak. Een waaghals. Echt een soort stuntman. Soms druk ik op de koffieautomaat namelijk combinaties in die ik nog nooit geprobeerd heb. Fearless. Zo staat er, terwijl ik dit schrijf, een plastic bekertje vol espresso mét melk én suiker naar me te glimlachen. Teringjantje. Dat is aanheid. Op dit punt van de dag is het meestal alweer 10:00 uur.

Als het plafond begint te zakken en de muren op me af beginnen te komen, is het tijd voor een stukje method acting. Rollenspelletje spelen, zeg maar. Soms gebruik ik Engelse woorden voor dingen die ik ook gewoon in het Nederlands kan zeggen, maar dat komt een beetje door het jargon hier. Zo zeg ik meestal dat ik beschik over een hard copy, terwijl ik ergens gewoon een hard hoofd in heb. Maar dat terzijde.

Van paperclips maak ik een ketting. Die doe ik om en dan ben ik burgemeester. Als ik daarmee klaar ben, maak ik een touw van de ketting. Die hang ik uit het raam, omdat ik dan Michael Scofield van Prison Break ben. Als ik uit het raam flikker, loop ik weer naar de hoofdingang. Daar loop ik naar binnen en pak de lift. Ik ben niet te stuiten jongen. Maar vallen vanaf de vierde etage doet wel zeer. Daar heb ik dan vorige weer iets nieuws op bedacht.

Ik plak heul veul post-its aan mijn armen, tot ik vleugels heb. Icarus-stijl amattie. Het zijn gele post-its, omdat de blauwe besteld moetenworden. Ik zou liever blauwe hebben, omdat na rood toch wel blauw mijn favoriete kleur is en rode post-its niet bestaan, maar ach. Ik klaag niet. Ik zou alleen eerder moeten beginnen met plakken, want telkens als ik het raam uit wil blijkt het lunchtijd te zijn. Want lunchen doe je om 12:00 uur. En geen seconde later. Ben je helemaal belatafeld.

“DIRK-JAN DERKSEN, LALA LALA! LALA LALA!”

Vaak heb ik trek in soep. Vaak lijkt de soep me dan, als ik er oog in oog mee sta, niet zo aantrekkelijk. Dan sla ik maar over. Vorige week had ik echt zin in de vermicellisoep van de dag. Maar toen mijn normaal nooit iets zeggende collega opeens wél in staat bleek om naast mij, pal voor de soep, het legendarische woord “Soeperdepoep” uit te spreken, hoefde ik niet meer. Meestal eet ik weinig, zo tussen de middag. Ik heb genoeg energie van mezelf.

Ik ben binnen vijftien minuten klaar met eten, waardoor ik dus een kwartier over heb. Dat maak ik meestal op door naar de spoelkeuken te staren. Dat fascineert mij. Ik ruik sop en zie gelukkige mensen die plezier hebben in hun werk. Verder is het vooral water dat de klok slaat. Heel veel water. Het stroomt, spat, stoomt en spettert alsof het niks kost. Soms, heel soms, zie ik vóór het eten precies hoe een krat vol vaat vies de vaatwasmachine ingaat. Nog somser zie ik dan precies datzelfde krat na de lunchpauze terug. Schoon. En mijn God, dat ontroert.

Daarna is het mooi geweest. Fysiek blijf ik aanwezig, mentaal neem ik afscheid van de werkvloer. Op de automatische piloot lach ik als een boer met kiespijn om kantoorhumor, haal ik mijn schouders op bij de laatste nieuwtjes uit het wandelgangeninformatiesysteem en lever ik bestuurs- en beleidsstukken af. Terwijl de regen tegen het kantoorraam tikt, denk ik aan de route die ik ga afleggen naar de lift die me om klokslag 17:00 uur naar beneden zal brengen.

Twee radslagen, vier achterwaartse salto’s, een flikflak en een zijwaartse koprol later ben ik bijna bij de lift. Dat is een stukje commandotraining en turnervaring, die ik er zo aan het eind van de dag nog even uitgooi. Ik lever eerst de sleutel van mijn kantoor in bij de secretaresse en geef de schoonmaakster een high five. Dan stap ik de lift in. Als ik met mijn ogen dicht op het knopje BG druk en de liftdeuren hoor sluiten, weet ik het zeker. Ik heb de kantoortijd van m’n leven.

0