Als ik haar kamer binnenloop, slaapt ze. In dit licht is goed te zien, dat ze er niet goed uitziet. Slecht zelfs. Haar huid is geel. Veel geler nog, dan een paar dagen geleden. Haar linkerarm is blauw. Ze prikken vaak mis, als ze het infuus op haar aan willen sluiten. Ze hebben moeite om haar aderen te vinden. Het interesseert haar niet zoveel. Ze ondergaat het. Ze zeurt niet. Zo is ze niet. Helemaal niet zelfs. Zij vertegenwoordigt het andere uiterste; bij haar is er nooit iets aan de hand. Als je haar moet geloven.

Onbeholpen sta ik aan haar bed. De zuster ziet het. Ze lacht eventjes en loopt de kamer uit. Dat oma ligt te slapen, is misschien een goede smoes om weg te gaan. Ik haat ziekenhuizen niet, ik ben er oprecht bang voor. Zodra ik er binnenloop, voel ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Het zweet breekt me uit. Klamme handjes. Kippenvel. Telkens weer. Maar weggaan doe ik niet. Ik ben voor haar gekomen. Ik wil oma laten lachen.

Ik wek haar. Zo wilde ze dat. Dat zei ze, de vorige keer dat ik langskwam. ‘Als ik lig te slapen tijdens bezoekuren, maak me dan maar wakker hoor,’ had ze me op het hart gedrukt. ‘Slapen doen we als we dood zijn,’ lachte ze. En zo is het. Mijn levenlang al ken ik oma van haar spreekwoorden, gezegden en andere oneliners. Punchlines. Ze vallen niet altijd in de smaak. Dat heeft niet zoveel te maken met wat oma zegt, maar meer met wanneer ze het zegt. Haar timing is niet altijd even sterk. Niet iedereen waardeert dat.

Doen we wel vaker, optimistisch denken.

Haar opmerking van net, had ze ook niet in een groter gezelschap moeten maken. ‘Slapen doen we als we dood zijn’, ik kan er wel om lachen. Het klinkt alleen een beetje cru uit de mond van een 76-jarige dame, die vier dagen eerder acuut is opgenomen omdat haar oogwit qua kleur meer weg had van een gele markeerstift. Er bleek iets niet in orde te zijn met oma’s lever. In afwachting van haar onderzoeken, moest ze in het ziekenhuis blijven. De onderzoeken wezen niets uit. Op de laatste scan na. Daarop volgde meteen een familiegesprek.

Oma is namelijk ernstig ziek. Ze heeft een kwaadaardige tumor tussen haar lever en haar alvleesklier. Ik voelde koude tintelingen, bij het horen van dit nieuws. De grond verdween onder mijn voeten. Kanker. Oma? Ik kon het niet geloven. Nog niet. Het houdt me bezig. Ze moet worden geopereerd. Of beter, ze kan worden geopereerd. Een zware ingreep, met een gerede kans op overlijden. Tijdens of vlak na de operatie. Het maalt door mijn hoofd, maar als familie gaan we van het positieve uit. Doen we wel vaker, optimistisch denken. Oma voorop.

Oma is strijdbaar. Door haar weet ik, hoe ik stoer moet doen. Hoe ik onder alle omstandigheden, op welke plaats en in wat voor gezelschap dan ook, kan doen alsof alles goed met me gaat. Dat heb ik van haar. Oma ziet altijd alles positief. ‘Het leven is een feestje,’ zegt ze weleens. Oma heeft alles al een keer gezien. Waar oma niet aan doodgaat, maakt haar sterker. Daarom lijkt de afgelopen week wel een film. Alles is onwerkelijk. Alles is twijfelachtig. Al vermijden we het woordje ‘kanker’ met z’n allen, het is er. Het hangt als een sluier over elk gesprek.

Oma strijdt. Lachend.

Ik pak haar zachtjes bij haar schouder. Ik tik haar even aan. Ze mompelt. Ze knippert wat met haar ogen. Ze is meteen wakker. Ik geef haar een kus. Vraag hoe het met haar gaat. Ze antwoordt dat ze goed geslapen heeft. Ze vraagt of ik haar ochtendjas wil pakken. Dat doe ik.

Ze stapt uit bed. Ik kijk naar haar. ‘Kijk even voor je, wil je? M’n benen zijn bloot,’ zegt ze streng. De dame die met mijn oma op de kamer ligt, lacht erom. Ik kijk naar de grond. Oma staat naast haar bed en stapt in haar pantoffels. Pas nu zie ik hoe erg ze is afgevallen, de laatste tijd. Kwam door Sonja Bakker, had ze ons wijsgemaakt. Niemand heeft iets aan zien komen, tot ze afgelopen week plots geel ging zien.

We lopen de kamer uit, de gang door. Arm in arm, richting het balkon. Oma loopt even statig als vriendelijk. ‘Ik mag morgen naar huis en dan moet ik wachten op de oproep. Kijken of ik voor de operatie nog even naar de kapper kan.’ Prioriteiten stellen, zo hoort het. Ik kan niet eens iets zeggen. Ik wil lachen, maar voel me bezwaard. De afgelopen week is als een nachtmerrie, waar we collectief niet uit ontwaken. Elke dag leek alles een beetje erger te worden. Vooral voor oma, die nu doorheeft dat ik niet lach.

We gaan zitten. Het leven is een feestje, maar nu even niet. Oma kijkt glazig. Terneergeslagen. ‘Ik heb een rotnacht gehad. Ik kon wel janken.’ Zo’n zin duidt er bij haar op, dat ze daadwerkelijk gehuild heeft. ‘Misschien zie ik je opa wel weer snel.’ Hoppa. Nog een opmerking om in te lijsten. En dan met lijst en al in de fik te zetten. Ik wil zulke dingen helemaal niet horen. Haar woorden komen bij me aan. Oma oogt opeens fragiel. Plots kijk ik naar een kankerpatiënte, eventjes. Ik weet dat dit even een zwak moment van haar is. Heb ik ook weleens. Wij allemaal. Ik weet dat ze dadelijk weer lacht. En iets stoms zegt. Ik wacht erop. Het blijft stil. Ik moet iets doen.

Pijn en verdriet worden nooit uitgenodigd, maar komen altijd.

‘Oma, doe eens niet zo gek. Jij redt het wel. Je wil me niet boos zien, oma. Ik word heel boos als jij ook nog eens weggaat. En daarna verdrietig. Maar eerst boos.’ Oma kijkt me aan. Dit moet de blik zijn waar opa ooit verliefd op werd. Pretoogjes. Levenslust. Ze lacht. ‘Kijk hem nou zitten,’ zegt ze. ‘Met mij komt het wel goed hoor. Let jij nou maar op je eigen. Heb je al een meisje?’ Gelukkig, ze is er weer. Oma strijdt. Lachend.

Bijna dacht ik binnenkort afscheid te moeten nemen van mijn oma. Bijna. Ik weiger zo naar de situatie te kijken. Help ik mijn omgeving ook mee. Die zegt dat ik dingen niet zo ‘binnen’ moet laten komen. Dat het leven een feestje is. Dat klopt ook. Ondanks alles wat we tegenkomen, klopt dat.

Het is alleen zo jammer, dat sommige dingen de feestelijke sfeer verzieken. Pijn en verdriet worden nooit uitgenodigd, maar komen altijd. Ze gaan ook niet weg, als je dat netjes vraagt. Over kanker hoor je veel. Voor onze familie kwam het alleen nog nooit zo dichtbij als nu. Ziekte was ons bespaard gebleven. Maar nu weten wij het ook. Kanker  verpest het feestje.

0