Ik was kapotruig, vroeger. Ik was een nogal veel pratende , vrijwel nooit slapende, enigszins aandachtsgeile terrorpeurter. Volgens de overleveringen was ik alleen niet heel vervelend. Ik vermaakte mezelf prima. Zo kraste ik, telkens met drie vliegensvlugge moves (en met een gestolen rode viltstift), allemaal hoofdletters Z op een pas behangen muur. Teveel Zorro gekeken. Ik heb mij weleens verstopt in een keukenla, of onder de witte bakken bij de Zeeman. Ik heb het rigide frisdrankenbeleid van mijn mams weleens geprobeerd te doorbreken, door als driejarig ventje een glas kapot te bijten omdat er kraanwater in zat. Terwijl ik toch zéér duidelijk had gemaakt dat ik Coca Cola wilde. Ik mocht dat laatste nooit, omdat ik er druk van werd. Word. Erg druk. In ieder geval, ik was me er eentje. In de ballenbak van Duinrell heb ik ooit kennelijk opzettelijk en wederrechtelijk een jongetje afgetuigd met een ballenbakbal in mijn tot vuistje gebalde rechterhandje, omdat hij voorpiepte in het voorportaal van de glijbaan. Ik probeer alleen maar te zeggen, dat ik supermegawreed was, ooit. Dacht ik. Tot vanmiddag.

Vanmiddag besloot ik na een denkbeeldige lunch even in de achtertuin plaats te nemen. Had ik zin in. De zon scheen, de vogeltjes floten en ik had alles wat ik vandaag moest doen uitgesteld tot morgen. Ik had dus alle tijd. Ik zat nog geen kwartier met mijn kale kop in de zon, toen uit een paar tuinen verder een hels geluid kwam. Even dacht ik dat er een straalbezopen buurman van mij ontuchtige handelingen met een speenvarken verrichtte, maar toen ik menselijke termen uit het recalcitrante gekrijs kon destilleren, bleek dat het om een nogal chagrijnig buurjongetje van me ging. Hij uitte zijn onvrede, zeg maar. Dat is tegenwoordig hip in Nederland.

“NIET KIJKEN NAAR MIJ!” Dat was de slogan van de dreumes, die ik in stereo over alle schuttingen in de wijde omtrek hoorde schreeuwen. Hij herhaalde het een aantal keer. Hij wisselde slechts af door te schreeuwen: “KIJK NAAR MIJ!” Zijn directe toehoorders waren een man en een vrouw. Wat moeten zij in de war geweest zijn. Gemakshalve ging ik ervan uit, dat dit zijn ouders moesten zijn. Ik hoorde de man zeggen: “Joris, doe eens even gewoon. Iedereen kan mee genieten.”

Mij had het mijn neusbeentje gekost.

“Nou en,” was het antwoord van het jongetje dat dus Joris heet. “Dan horen ze mij toch lekker. Klootzak.” Klootzak. Alsof het de voornaam was van de man tegen wie hij het zei. Ervan uitgaande dat Joris dit tegen zijn vader zei, kon ik er niet eens meer om lachen. Ik had er vroeger mee naar een gebroken jukbeen gesolliciteerd. Ik was naar mijn kamer getransporteerd, zonder de traptreden aan te raken. De klap die ik gehad zou hebben, zou ik alleen hebben horen aankomen. Mij had het mijn neusbeentje gekost. Ik had de rest van mijn leven met een suis in mijn oren gelopen. Ik had tot mijn veertigste door een slangetje moeten eten. Ik was door elkaar gerammeld, tot mijn linkerelleboog mijn rechterenkel was. Ik bedoel maar te zeggen, dat ik het wel geweten had. Mijn vader een klootzak noemen, in z’n gezicht. Echt niet. Ik had het berouwd.

Joris niet. Ik hoorde de vrouw tegen Joris zeggen: “Nou, Joris. Zulke woorden wil ik niet uit jouw mond horen komen.” Alles wat ik kon denken was, dat de vrouw teveel lettergrepen gebruikte. Teveel woorden. Te netjes. Zo’n hele zin had in één handeling gepast. Een dropkick, bovenop Joris z’n neus. Als één van de twee volwassenen dat ook gedaan had, was ook gewoon nooit gebeurd wat ik u nu ga vertellen.

Ik denk dat de manspersoon ter voorkoming van een strafblad vanwege fysieke kindermishandeling de rest van zijn vrije zaterdagmiddag in de kroeg door is gaan brengen, want ik heb alleen de vrouw nog horen spreken. Gillen, eigenlijk. Na haar sterke staaltje didactisch onvermogen, hoorde ik haar namelijk alleen nog maar zeggen: “Gadverdamme Joris, stop daarmee. Joris, doe normaal.” Ze zei het, kalm. Ik dacht dat Joris demonstratief in zijn neus stond te peuteren. Misschien stond hij het met tussenpozen aan de achterdeur van het huis te smeren. Dat zou vies zijn. Je peutert niet in je neus en als je het doet, eet je het op. Je gaat geen snot aan de achterdeur van het huis smeren. Ook al vind je de mensen die in dat huis wonen niet zo heel aardig. Maar Joris was niet bezig met zijn snot. Domme ik. Ik ging uit van mijn eigen ruige verleden, bij het gissen naar Joris’ gedrag.

Joris nam de beslissing om de begonia’s te blessen met goudgele regen.

Toen ik de toon van de vrouw hoorde aanzwellen, wist ik dat Joris verder ging dan bullebakken en snottebellen. Vooral bij de woorden: “Joris, doe je broek omhoog! Ben je wel helemaal normaal? Stop daarmee,” wist ik het zeker. Hier was meer aan de hand. Ik besloot mijn eigen referentiekader los te laten en in mijn fantasie alle mogelijke handelingen van Joris de revue te laten passeren. Allerlei theorieën kwamen voorbij. Stond Joris de Rododendrons te swaffelen? Kerfde hij het woord ‘KILL’ met de nagels van zijn wijsvingertjes in de tuintegels? Had hij de kat bij de staart gegrepen en stond hij daar het konijnenhok mee in elkaar te slaan? Was het voor die laatste twee dingen nou echt noodzakelijk om vooraf je broek uit te trekken? Ik werd gek. Gelukkig boden nieuwe geluiden uit de achtertuin in kwestie uitsluitsel.

“Gadverdamme Joris, bah. Alles onder de pies. Ben je nu blij? Ga naar binnen, Joris. Bah.”

Bah. Inderdaad. Vieze bah. Kleine Joris heeft kennelijk besloten om zijn blaas te legen in de achtertuin van zijn vader en moeder. Of zijn oom en tante. Of de mensen die op hem moesten passen, op deze zonnige zaterdagmiddag waarop de vogeltjes lustig floten. In ieder geval in de achtertuin van mensen die zijn respect verdienen. Joris nam de beslissing om de begonia’s te blessen met goudgele regen. Joris heeft Thug Life een nieuwe dimensie gegeven. Joris heeft wild geplast, letterlijk. Kermend heeft hij zijn onvrede geuit. Bewust grof en denigrerend. Ik heb heel wat gezien in mijn leven, maar ik moet toch wel echt mijn meerdere erkennen in de respectloze wandaad van Joris. Huilbaby’s, à la. Maar zeikpeuters? Bah. Uit frustratie een perkje onder piesen gaat alle perken te buiten. Mijn brandweermannetje was er vroeger onverdoofd ritueel afgehaald, maar daar was Joris veel te snel voor. Toen zijn missie volbracht was, hoorde ik hem lachend naar binnen rennen. Even wilde ik Joris opzoeken en hem zeggen: “Hoor ‘es, Joris. Wie leert jou mores, omdat wat je doet goor is?” Maar ik was in shock. Nog steeds, eigenlijk. Joris is geen moeilijk opvoedbaar kindje. Joris is bezeten. Joris is the Omen.

Grofgebekt zijn tegen mensen die respect verdienen, je onvrede uiten door op vreemde plaatsen te gaan staan urineren, gillen en krijsen zodat iedereen het kan horen en op het moment dat je de grens bereikt keihard gaan lachen en weglopen. Niet bereikbaar voor commentaar, onwelwillend om een tegengeluid te horen. Schaamteloos je gang gaan, zonder enige negatieve consequenties, in de heilige overtuiging dat je de goede zaak dient. Tel daarbij de complete machteloosheid op van mensen die enig tegenwicht zouden moeten kunnen bieden en ja, ik heb een tenenkrommende conclusie moeten trekken.

Joris is een PVV’er in de dop. Ik hoop maar dat hij snel verhuizen zal.

0