Ik ga proberen om iets waar ik geen woorden meer voor heb, in woorden te vatten. Vrijdagavond kreeg ik daar, uit onverwachte hoek, wat hulp bij. Wijlen Johnny Cash sprak tot me. Met zijn cover van Hurt, vatte hij exact samen hoe ik mij op dit moment voel. Machteloos. Leeg. Moe van het hopen. Ziek van alle verwachtingen. En de daarop volgende teleurstellingen. Telkens weer. Johnny Cash was een Spartaan. Het moet wel. Toen het nummer bij thuiskomst toevallig voorbij kwam, kreeg ik het even te kwaad.

En dat mag. In voetballand zijn er weinig supporters, die het op dit moment slechter hebben dan wij.

Ik heb een suis in mijn oren. Of beter, een piep. Hoog. Monotoon. Het geluid van een hartmonitor. Aangesloten op onze club.

De defibrillator is zoek. De overlevingskansen van Sparta, lijken met de week te slinken. De comateuze toestand, waar de hele organisatie zich na de laatste degradatie in lijkt te bevinden, baart me zorgen. Zo af en toe is er een diagnose. Een teken van leven. Mooie beloftes. Prachtige toekomstperspectieven. Revalidatieplannen.

Maar op dit moment zou het de betrokken artsen netjes staan, eerlijk te zijn. Het kan namelijk twee kanten op met de patiënt. Als er nu geen rigoureuze stappen worden ondernomen, is het definitief te laat. Dan is het over met Sparta. En die zin, doet de schrijver evenveel pijn als de lezer. Echt.

Dan is het over met Sparta.

Ik heb me zelden zo’n zorgen gemaakt om de club. In staat van pure wanhoop en diepe frustratie, schrijf ik dit artikel. Een oproep. Alsof ik een oplossing heb.

Ik denk dat we er als supporters goed aan doen, niets meer te verwachten dit seizoen. Uit zelfbescherming. Tegen Telstar, lieten de spelers weer eens zien dat ze ons rood-witte shirt niet waard zijn. Zoals wel vaker. Kistkalveren hebben onderweg naar de slachtbank meer besef van wat hen te wachten staat, dan de elf betaalde profs die wekelijks onze club vertegenwoordigen. Zij beseffen niet dat ze met strijd en beleving, het verschil moeten maken.

Ze  laten zich elke week naar de slachtbank leiden. Wij lijden. Vanaf het moment dat duidelijk werd dat de kampioensschaal van de Bierleague dit jaar niet naar Rotterdam zou komen, hoopte ik dat het elftal er in ieder geval alles aan zou doen om een periodetitel te pakken. Als supporter mag je dat verwachten, lijkt mij. In die rol besef je, dat het nodig is om te overleven. Als club. Als instituut. Als professionele organisatie.

Het besef ontbreekt echter, bij de mannen die het moeten doen. Misschien is het er wel. En interesseert het ze gewoon niet. Dat denk ik eigenlijk. De loonstrookjes komen immers maandelijks binnen en als passant, is dat waar je het voor doet. Salaris. Onverdiend je geld verdienen. Het bestaat.

Onverdiend je geld verdienen. Het bestaat.

Voor onze trainer geldt hetzelfde. Ik kan zijn achternaam niet meer zien. Jan pakt de leuning, stond er vroeger in Pro Sparta al boven zijn column. Inmiddels is duidelijk, dat men hier doelde op de leuning van Jan zijn Chesterfield. Want als hij niet bijverdient door te verschijnen in een voetbalprogramma, is dit de plek waar Jan het liefst zijn tijd doorbrengt. Lekker thuis, in plaats van op het trainingsveld. Een regelrechte schande, gezien de situatie waar we in zitten.

Bij de E’tjes van een willekeurige amateurclub zie je meer beleving en strijdlust, dan bij het eerste elftal van Sparta Rotterdam. Lamlendigheid is bijna wekelijks een understatement. Er is geen woord dat het gebrek aan testosteron en adrenaline kan beschrijven. Sparta schopt allang geen poten en ribben meer tot appelmoes. Het maakt je woedend, tijdens de wedstrijd. En even na het laatste fluitsignaal, bedroefd. Verdrietig.

De wedstrijdmentaliteit van onze spelers, kende vrijdagavond een extra treurige ondertoon. Het was een smet op het ontroerende eerbetoon aan Tonny van Ede. Een belediging. Niet alleen voor deze legendarische Spartaan, maar voor iedereen die oprecht houdt van de club. Voor iedereen bij wie die liefde hetzelfde blijft, terwijl alles in en om de club verandert. Verslechtert. Verdwijnt.

De hoogtijdagen. De successen, groot en klein. Victorie. Trots. Passie. Cultuur. Legendes. Herinnering. Herkenning. Clubliefde. Dat laatste lijkt tegenwoordig alleen nog te bestaan bij supporters. Mensen die hun hart verpand hebben aan een club, waar beleidsmakers hun ziel hebben verkocht aan de commercie. Ik wou dat ik er meer van kon maken.

En zonder Sparta, is er niks.

Er is groot geld nodig. En efficiency, zoals dat zo mooi heet. Een visie, zowel voor de korte als de lange termijn. Een grote schoonmaak. Mensen die het belang van het doodzieke Sparta, boven hun eigen ego kunnen plaatsen. Cultuurbewakers. Managers. Met kennis en kunde. Mijn hoop op deze omslag, vind ik niet meer in beloftes. Ik kijk naar andere clubs, zoals ADO Den Haag. Wat men daar gepresteerd heeft, is geweldig. Voor iedereen die begaan is met die club. Wat denkbaar is, is mogelijk. Het moet alleen wel worden gedaan.

Voorlopig is realisme op z’n plaats. Het is de minst bekorende, maar ook de minst risicovolle oplossing. Ik weet namelijk niet hoeveel mijn Spartahart nog hebben kan. Aanstaande woensdag zal ik op ons Kasteel het condoleanceregister tekenen. Ik weet dat het er ligt voor de Oude Schicht, maar ik kan een dubbel gevoel niet onderdrukken. Het lijkt alsof zijn overlijden symbool staat voor de teloorgang van mijn grote liefde. En zonder Sparta, is er niks.

Sparta, naar voren. Of beter, naar boven. Omhoog. Sportief. Bestuurlijk. In de geest van Bok de Korver en de naam van Cor van Rijn. En als waardig eerbetoon aan Tonny van Ede. Opdat zij in vrede kunnen rusten. En Sparta zelfs de jongste generatie supporters zal overleven.

0