Vroeger is cool. Ik denk vaak aan vroeger, de laatste tijd. Aan mijn eerste tranen, bij de tragische dood van Mufasa in de Lion King. Aan Dummies. Aan die rode doosjes met rozijnen. Daar stond zo’n zonnetje op. Deze. Vroeger. Ik denk aan Dommel. Aan Geef Nooit Op en de Droomshow. Aan Ovide. En zijn vriendjes. Aan Thundercats en de Mini Playbackshow. Aan de Turtles en Transformers.  Aan Foofur En Wickie. Wickie de Viking.

Mijn zusje denkt ook aan Wiki. Wikipedia. En Skype. En aan een nieuwe profielfoto voor op Hyves. Ze wordt boos, als ik niet binnen tien seconden antwoord geef op WhatsApp. Mijn zusje is twaalf. En ik ben jaloers op haar.

Ik was in de winter de trotse bezitter van een pak A4-tjes, potloden en viltstiften. Ik tekende Power Rangers na. Of ik verzon zelf plaatjes, voor een van mijn zelfgeschreven boeken. Ik speelde met van die groene soldaatjes. Of ik knutselde. Van plastic tassen van de Edah (DIE BESTOND TOEN NOG!), maakte ik parachutes voor mijn G.I. Joe poppetjes. Die kon ik dan in het voorjaar van het balkon gooien. Zodat mijn neef ze beneden, na hun zachte landing op de stoeptegels, kon pakken.

En ze weer naar boven kon brengen. Zodat ik ze weer van het balkon kon gooien. Of uit het raam. Zodat mijn neef ze beneden, na hun zachte landing op de stoeptegels, kon pakken. Die zin staat er inderdaad weer. Herhaling. Want dat was het vroeger! Je moest wel.

Vanaf het voorjaar scheen de zon. Vroeger. En dan was er -behalve snoep en voetbalplaatjes kopen met opgespaarde GULDENS- niks leuker dan voetballen. Meestal was ik Dennis Bergkamp of Patrick Kluivert. Waarschijnlijk omdat ik zo erg leek op die laatste. Ach, ik schaam me er niet meer voor. Ik was Patrick Kluivert. Vanaf z’n tijd bij Barcelona dan.

Ik had een Kappa-trainingspak. En een tweedehandse Cavello, die ik mocht hebben toen m’n neef eruit gegroeid was. Er zat een bijna-gat in de linker broekspijp, precies ter hoogte van m’n knie. Maar dat zag je haast niet, volgens m’n moeder. Ik weet nog dat knikkeren (met Orka’s, Turtles, Spikkels/Pizza’s en Olie’s) een uitje was. En dat ik met mijn neefjes een keer Streetfighter gezien heb. Op videoband. Ik kan me verder een Tamagotchi, mijn blaaspijp, heel veel autootjes en Lego herinneren.

Ik had een cassettebandje met het History-album van Michael Jackson erop. Je wist dat de batterij van je walkman op sterven na dood was, zodra de muziek in slowmotion werd afgespeeld. Dat probleem was verholpen, zodra de discman kwam. Yes! Ik jatte CD’s van m’n pa. Ik luisterde naar Queen, The Gipsy Kings, Barry White, Sting, Frank Sinatra en James Brown. En allerlei andere muziek waar ik veel te jong voor was. Of ik leende CD’s. Zodat ik opeens naar 2Pac luisterde. En naar Bob Marley, Run DMC, A Tribe Called Quest en Snoop Dogg. En naar de Hitzones van TMF natuurlijk.

Mijn zusje is twaalf.

En ik ben jaloers op haar.

Een spelcomputer heb ik nooit gehad. Ik speelde Aladin en Sonic op de Sega bij een vriendje. Toen kon je nog vriendje  zeggen. Ik ging Duckhunten bij m’n neef. Ik mocht zijn Gameboy weleens lenen. Ik heb Mario uitgespeeld. Ik wil toch wel dat men dat weet.

Mijn zusje en haar klasgenootjes zijn zwaar online. Als ik voor een spreekbeurt over ‘onze hond’ ging praten, moest ik een week van tevoren de godganse woensdagmiddag in de bibliotheek doorbrengen. Informatie inwinnen. Over hoeveel hondenrassen er zijn. En wat ze eten. En dat we zelf ook een hond hadden. En dat hij Rakker heette. En dat hij pootjes gaf als je dat vroeg. En dat vertelde ik dan vanaf een blaadje. En daar stond handgeschreven tekst op. En ik gebruikte heel veel ‘en’ als ik sprak. En dat deed iedereen, vroeger.

Mijn zusje is voor haar werkstuk laatst op Google gaan zoeken. Haar werkstuk ging over Nelson Mandela en zijn revolutionaire strijd tegen het apartheidsdenken. Nu is mijn zusje sowieso slimmer dan ik ben, maar ze heeft ook de tijdsgeest wel mee.

Ze is niet afhankelijk van inbel-internet. Ze hoeft geen vijf minuten naar allerlei obscene geluiden te luisteren, om vervolgens via een langzame kutverbinding in recordtempo een aantal internetpagina’s af te struinen, om daarna van onze moeder te horen dat, met het oog op de komende telefoonrekening, de internetlimiet bereikt is. Ze hoeft geen rekening te houden met het feit dat de lijnen bezet zijn, terwijl mijn ouders een belangrijk telefoontje verwachten. De lijnen zijn nooit meer bezet. Alles kan tegelijk.

Kinderen worden slimmer. Ze hebben Curves, Bolds en Torches. Ze pingen. De MSN-naam van je dertienjarige neefje is niet voor niets ‘BB King 97’. Of ‘King Ping 010’. Wat dacht je? Ze Pro’en. En Fifa’en. Wij keken vroeger mee naar ‘Wie Ben Ik?’. Als ik vraag wat m’n zusje aan het doen zegt ze: ‘Ik ben Wii’en.’ Mijn zusje had de nieuwe Eminem eerder dan ik. Ze hoeft geen mixtapes op te nemen via de radio. En er constant naast blijven zitten om het bandje op pauze te zetten als de reclames komen. Daar heeft ze Bitcomet voor.

De techniek is lange tijd evenredig vooruit gegaan. Per generatie kwam er gewoon een aantal nieuwe hoogstandjes bij. De laatste jaren is het echter amper meer bij te houden. En dan vragen volwassen mensen zich af, waarom kinderen zo wijs zijn. Of ze gaan zeuren. Dat kinderen helemaal geen HP’s, iPads, Experia’s en Galaxy’s nodig hebben. Dat het allemaal veel te hard gaat. Dat kinderen aan teveel troep worden blootgesteld.

Die volwassenen moeten hun mond houden. Als kind pak je alle informatie die je pakken kunt. Dat deden we allemaal. Dat kinderen voldoende bewegen, niet worden blootgesteld aan verkeerde invloeden en niet te vroeg beginnen met ‘volwassen’ gedrag, is een verantwoordelijkheid van de volwassenen. Een snellere wereld, vraagt om adequater handelen. Dus, lezende adolescent, grote broer/zus of neef/nicht en/of ouder: stop met zeuren.

Je bent gewoon jaloers!

0