Rode ogen hebben ze. De meesten zijn verminkt en corpulent. Missen ze geen ledemaat, hebben ze wel een knobbel boven hun linkeroog. Of hun rechterkijker ligt eruit. Ze draaien ploegendiensten. Op zoek naar voedsel. De omgeving afvliegend, in de hoop een verlaten balkon te vinden. Puur en alleen om dat te bezoedelen. Om er de boel onder te schijten of er de liefde te bedrijven. Te broeden op het nageslacht. Tuig. Columba livia domestica. Stadsduiven. Ik mag ze niet.

Ik weet het nog goed. December 2009. Middenin de nacht werd ik wakker van een vervelend geluid. Het kwam van mijn balkon. In de wintermaanden betreed ik dat zeer sporadisch. Ik heb er niks te zoeken. Ik hoorde koeren, rond 2:30 uur. Het hield me wakker, ik moest handelen. Gehuld in slaapkledij en enigszins verdwaasd, opende ik de balkondeur. Een koude rilling. Winter.

Nog voor ik het goed en wel door had, moest ik beide handen gebruiken om een wild fladderend wezen uit mijn gezicht te houden. Paniek. Donsveren alom. Nauwelijks bekomen van de schrik, maande ik mijzelf tot kalmte. Ik keek. Het beest was weg. De stadsduif was gevlogen. Met het spaarzame licht van een gasaansteker, ontwaarde ik in een donker hoekje van het balkon een nestje. Zorgvuldig opgebouwd van takjes en kleine stukjes plastic. Middenin lag een eitje. Een klein, wit eitje. Lief.

Een onheilspellend gevoel maakte zich van mij meester. Ik had een moeder weggejaagd. Meteen voelde ik mij schuldig. In de hoop haar vlug weer op het balkon te kunnen verwelkomen, sloop ik naar binnen en sloot de balkondeur. Ik verzette de wekker, ik wilde eerder opstaan. De situatie bij daglicht aanschouwen.

Middenin lag een eitje. Een klein, wit eitje. Lief.

Ik heb een zwak voor dieren. Ik verspreidde het nieuws van het pas ontdekte nestje binnen mijn sociale omgeving. Ik besloot kaartjes te verkopen aan vrienden die wilden komen kijken. Met het geld dat ik opstreek, wilde ik babykleertjes kopen. Ik struinde het internet af, op zoek naar een passende naam voor mijn aanstaande pleegduifje. Na dagen zoeken, kwam ik uit op Dove. Ik weet niet waarom. Het was zomaar een ingeving.

Ik dook de bibliotheek in om uit te zoeken hoelang een duivin op haar eieren broedt. Ik bedoel, een babyshower vraagt toch om wat organisatie. Ik sprak ook met de duiven. Ze maken toch gebruik van je balkon. Dan horen dingen in onderling overleg te worden afgestemd. Als moeders een ommetje wilde vliegen, paste ik op haar nestje. Ik hield het eitje warm. Dit deed ik, door in kleermakerszit vlak voor het nestje te gaan zitten en met beide handen het eitje te bedekken. Zo zat ik soms wel uren. Maar dat geeft niet, dat heb je ervoor over. Ik deed er alles aan om moederduif tevreden te houden.

Ik heb het geweten.

Dames en heren, trap nooit in de trucjes van de stadsduif. Ze lijken zo sympathiek in het begin. Kwetsbaar. Het is slechts de buitenkant. Door onvoorziene omstandigheden, heb ik het nestje eens een kwartiertje in de steek gelaten. Het onbemande ei werd snel opgemerkt. Zo’n beetje alle ooms, tantes, neven en nichten lieten van zich horen. Op mijn balkon. Binnen het tijdsbestek van enkele minuten waren zij op de hoogte gesteld door de zichtbaar pissige moederduif. Ook vader was present.

Tenminste, wie de vader van het ei nu eigenlijk was, wist ze niet. Ze hield er meerdere tortelpartners op na. Maar dat telt niet natuurlijk, op zulke momenten. Nee, ik had het allemaal gedaan. Een groep van zeker 274 duiven hebben mijn balkon twee weken lang geteisterd. Het eitje werd er zelfs voor in de steek gelaten. Dat is ook niet meer uitgekomen. Maar dat is bijzaak.

Dames en heren, trap nooit in de trucjes van de stadsduif.

Mijn balkon was een centraal ontmoetingspunt voor alle Rotterdamse duiven. Een openbaar toilet, een stamkroeg en een lovelounge tegelijk. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien. Ik heb er de krant en TV Rijnmond bij willen halen, maar telkens als ik visite kreeg bleek het balkon te zijn verlaten. Geen duif te zien. Geen mens geloofde mij. Ik stond er alleen voor, zoals het in moeilijke tijden wel vaker gaat. Ik kreeg de rekening gepresenteerd voor mijn oprechte inzet en zorgzaamheid. Ik doe het nooit meer.

Ik voel mij zo ontzettend belazerd door de stadsduif. Binnen veertien dagen was mijn balkon onbegaanbaar. Daarna is het hele zooitje met de noorderzon vertrokken. Sinds een jaar houden ze zich slechts op in de omgeving van mijn balkon. Ze dorsten het niet meer te betreden.

Ze weten namelijk dat ik ze door heb. Ik heb ze bestudeerd. Ik zie ze vliegen. Groepsgewijs, in cirkels boven de stad. Ik ken hun ritme. Soms houd ik mij dagenlang verscholen op strategische plekken tegenover lokale snackbars. Vermomd, als duif. Observeren.

Ik wil iedereen waarschuwen. Stadsduiven vormen een incestueuze, geen enkele vorm van geweld schuwende en onverzadigbare bende. Voer ze niet. Jaag ze weg. Voel u niet bezwaard. Het is een groot probleem. Ik zie de duiven veranderen. Ze worden brutaler. Kijk ze boos aan en ze kijken boos terug. Vervloek ze en ze zullen u intimideren. De kans dat wij deze zomer op vakantie gaan en terugkomen in een land waarin de duif de dienst uitmaakt, is te groot om te bagatelliseren. De rollen zullen worden omgedraaid, als het aan de stadsduif ligt.

Ik heb mijn erwtenschieter al gemaakt. En visloodjes ingeslagen. Ik verzoek mijn lezers hetzelfde te doen. Wapen u, voor het te laat is. Dove kwam niet ter wereld. Het was een teken. Stadsduiven moeten om zeep worden geholpen.

0