Voor wie het heden te pijnlijk is, biedt het verleden uitkomst. Wie de toekomst vreest, houdt liever vast aan het heden. Wie weinig positiviteit uit het recente verleden kan halen, verschrikkelijk baalt van het heden en doodsbang is voor wat komen gaat, heeft echter weinig keus. Hij of zij is er slecht aan toe. Hij of zij, is waarschijnlijk voor Sparta.

Ik ben voor Sparta. Daar kan ik niets aan doen. Ik ben vanaf mijn zesde jaar dusdanig gehersenspoeld, dat ik eigenlijk nooit beter heb geweten. Het is vooral de schuld van mijn opa. Hij heeft mij op Nederlands voetbalgebied gemaakt, tot wat ik vandaag de dag ben. Spartaan. En ik ben er trots op, ondanks alles.

Begin jaren ’90 was het trouwens helemaal niet zo erg om voor Sparta te zijn. Je werd er niet mee gepest op school. Je kon er buiten ook gewoon voor uitkomen. Niemand die je uitlachte op het pleintje. Elk seizoen behoorde Sparta tot de subtop. We waren in ieder geval een stabiele middenmoter. In mijn herinnering, deed Sparta thuis nooit onder voor haar tegenstander. Ook in uitwedstrijden pakte de club regelmatig punten.

Ik ga in deze sentimentele bui geen wedstrijdvoorbeelden en favoriete oud-spelers noemen. Daar word ik alleen maar weemoediger van. Ik wil alleen mijn frustratie een plaats geven. Een aantal persoonlijke conclusies trekken. De eerste: mijn beste jaren als Sparta-supporter mocht ik tussen 1995 en 1998 beleven. En da’s alweer een tijd geleden.

In het oude stadion kon je na de wedstrijd spelers opwachten. Om met ze op de foto te gaan. Ze om een handtekening te vragen. Het oude stadion. Het staat nog steeds bekend als Het Kasteel. Maar vanaf het moment dat de club haar wedstrijden afwerkt in het nieuwe onderkomen, zijn mijn herinneringen overwegend treurig. Mijn tweede conclusie.

Mijn club heeft het vaak af laten weten. Ik kan me wedstrijden herinneren waarin ik zeiknat geregend of van de kou versteend, lijdzaam toe moest zien hoe Sparta zich naar de slachtbank liet leiden. Vaak heb ik als klein jongetje het stadion vroegtijdig willen verlaten, maar daar had mijn opa zo ongeveer de doodstraf op gezet: ‘Je laat je club niet in de steek. En misschien gebeurt het nog.’ De Spartaanse opvoeding.

Ik luisterde, al werd het bij een 4-1 achterstand in de 92e minuut tegen me gezegd. Mijn opa. Wat moet die man soms met pijn in het hart naast me hebben gezeten. Hij heeft Sparta nog kampioen zien worden. Ze Europees voetbal zien spelen. Gelukkig voor hem, heeft hij nooit mee hoeven maken dat zijn club degradeerde. Hij overleed een week voordat we in 2002 aan de nacompetitie ‘mochten’ beginnen. Alsof het zo moest zijn. Moge hij in vrede rusten. En van bovenaf geen uitzicht hebben op Spangen.

Want na alle nederlagen, trainerswisselingen, spelers die als ‘versterking’ kwamen en zonder enige verwachting te hebben waargemaakt weer gingen, het vechten om lijfsbehoud, een bijna-faillietverklaring, twee degradaties en een promotie, spaarzame overwinningen, zelf opgeleide en doorverkochte talenten, lange busreizen naar alle uithoeken van het land, bestuurlijke problemen, valse beloftes en dromen die niet in vervulling gingen, alle uit handen gegeven overwinningen en mooie klasseringen kan ik een derde conclusie trekken: ik ben moe. Doodmoe.

Van alle guldens en Euro’s die ik ooit aan kaartjes, clubcards, seizoenkaarten, trainingspakken, balpennen, shirtjes, bustickets, sleutelhangers, speldjes en ander Sparta-gerelateerd materiaal heb uitgegeven, had ik inmiddels een jacht kunnen kopen. Wel twee ook. Bij het totaalbedrag dat al mijn lotgenoten aan de club hebben uitgegeven, stelt het saldo van een gemiddelde Zwitserse bankrekening niets voor. Conclusie vier.

Begrijp me niet verkeerd: ik ben er zelf bij geweest. Ik besef dat het mijn eigen schuld is. Ik blijf zelf bij Sparta hangen. Mijn clubliefde hangt niet louter af van sportief resultaat. Het laat zich niet begrenzen door financiële (on)mogelijkheden. Daar gaat het allemaal niet om. Maar hoeveel kan een rood-wit gestreept hart verdragen? Hoeveel voetballeed kan een voetballiefhebber aan? Een voetballiefhebber die naar Sparta gaat. Vaak denk ik dat ik als toeschouwer bij een zondagse amateurkorfbalvereniging (Scrabble-tip) meer ‘voetbalplezier’ zou beleven dan bij een gemiddelde wedstrijd van mijn club.

Als Spartasupporter ben je een soort mijnwerker. Op zoek naar goud in een gebied waar dat maar mondjesmaat in de grond zit. Je bestaan is grootendeels zwaar en donker. Je geluksmomenten spaarzaam. Bovendien heeft je gezondheid het zwaar te verduren. De keren dat ik met een ongezond hoge bloeddruk, met samengeknepen billen, haast hyperventilerend en hevig transpirerend leefde tussen hoop en vrees, hebben me denk ik in totaal tien jaar van mijn levensverwachting  gekost.

Als je als ouder tegenwoordig je kind introduceert aan Sparta, ben je bijna strafbaar bezig. Het is je reinste kindermishandeling. Een kind gun je plezier, dingen om trots op te zijn. Geen pesterijen op school. En in zijn of haar toekomstige bestaan geen vervelende opmerkingen en nare grappen van collega’s.

Mijn vijfde conclusie: Sparta is een prachtclub. Met historie. Een verleden. Een identiteit. Een gevoel. Met alles, waar je in de huidige voetbalwereld helemaal niets voor koopt. Conclusie zes. In deze tijd van passanten, korte termijnvisie, te vullen gaten op de begroting en totale verzakelijking van de voetbalwereld telt het niet meer dat vele mensen je club een warm hart toedragen. Er is leiderschap nodig. Geduld. Kennis. Kunde. Welwillendheid. Commitment. Geld. Bezieling. Een bepaalde mentaliteit. Overtuiging. Helderheid. Professionaliteit. Gezond verstand. Alles wat makkelijk gezegd, doch erg lastig gedaan is. Zoals integriteit. En weten wanneer je je mond moet houden.

Sparta is namelijk een oude dame. En inmiddels is ze incontinent, geloof ik. Vandaar dat er zoveel informatie wordt gelekt. Alle interne problemen liggen binnen no-time op straat. Terwijl we vroeger altijd zo’n deftige club waren. Ook zo’n tragische ontwikkeling.

Momenteel horen de vlaggen op het hoofdgebouw halfstok te hangen. De situatie is schrijnend. Ik maak me zorgen over de ‘ziekte’ die mijn club heeft. De donkere wolken die al jarenlang, niet altijd even zichtbaar, boven het stadion hangen. Het maakt niet uit welke elf spelers je dat ons shirt aan laat trekken. Al zet je er de Barcelona-selectie in neer. Iets staat sportieve prestaties en bestuurlijke continuïteit in de weg. Dat ‘iets’ is een bepaalde sfeer. Een sluier van verdriet, verdwenen realiteitszin en chronische onkunde. Pure tragiek.

Dit jaar bereikt Sparta de respectabele leeftijd van 123 jaar. En ouderdom komt met gebreken. Daarom is het tijd voor een heldere diagnose. Een behandelplan. Goede doktoren. Want hardleers als ik ben, hoop ik nog steeds. Op cultuurbewakers en Spartaanse zakenlieden. Op clubmensen die zich onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig willen inzetten voor mijn club. Op groot geld en een visie. De juiste mensen, op de juiste plaatsen. Men is het verplicht aan de historie, het karakter en de uitstraling van Sparta. En niet in de laatste plaats aan alle supporters. Waaronder ik.

Want ik mag Sparta tijdens deze slapeloze nacht dan afkraken, ik hou van de club. Ik ben alleen zwartgallig en negatief. Pessimistisch en kwaad. Maar bovenal verdrietig. En bezorgd. Als supporter ben je nu eenmaal getrouwd met je club. En ik zal nooit scheiden. Of er met een ander vandoor gaan. Maar een droomhuwelijk is het niet. Het is grotendeels gebaseerd op herinneringen. Ongefundeerde hoop. Ware liefde, denk ik. Niet op recente redenen tot optimisme. En dat frustreert.

Soms is het goed om je frustratie te uiten. Het lucht in ieder geval op. Dit stuk is niets nieuws onder de zon. De beste stuurlui staan aan wal. Ik heb zelf niet de illusie een beter lid van de Raad van Commissarissen of de directie te zijn. Als voetballer heb ik het ook nooit tot het eerste geschopt. Ook weet ik, dat ik niet de enige ben die verdriet heeft. Ik verwoord alleen. Laat dat mijn zevende en laatste conclusie zijn.

Voor wie het heden te pijnlijk is, biedt het verleden uitkomst. Wie de toekomst vreest, houdt liever vast aan het heden. Wie weinig positiviteit uit het recente verleden kan halen, verschrikkelijk baalt van het heden en doodsbang is voor wat komen gaat, heeft echter weinig keus. Hij of zij mag zeuren, maar moet blijven hopen. Doorgaan. Met trots. Bij neerlaag of victorie. Bij voor- of tegenspoed.

Dit artikel is ook gepubliceerd in het blad van de supportersvereniging, De Spartaan

0