Daar zitten we dan. Jij en ik. Het is laat. Heel laat. Te laat. Veel te laat. Alweer. Ik kijk naar je. Ik vind je mooi. Je bent lief. Alleen wij zijn hier. En de maan is wakker. De stemmen van mensen op de televisie klinken zachtjes op de achtergrond. Maar het stoort niet. Het doet me niks. Jij bent er. En ik kijk. Ik neem je waar. Ik wil je kussen.

Je straalt zoveel kalmte uit. Rust. De kleine afstand die ons scheidt, is mijn vluchtroute. Voor de momenten waarop de drukte van de wereld om ons heen, mij moe maken. Wanneer ik door de bomen het bos waarin mijn hectische bestaan zich afspeelt, niet meer zie. Ik leef in een jungle. Een betonnen woud. Een wirwar van verplichtingen. De momenten van intens geluk en diep verdriet, worden aaneengeregen door de rode draad van mijn bestaan. De zoektocht naar geluk. Rust. Tevredenheid.

De zin van het leven, is er zin in hebben. Keuzes maken. Met smaak. Gevoel voor stijl. Het leven, is vooruit denken. Dromen. Handelen. Kansen pakken. Gunnen. Ontvangen. Dankbaar zijn. Kennis opdoen. Wijzer worden. Inzicht verwerven. Lusten bedwingen. Lasten dragen. Ze niet voor je uitduwen, maar sjouwen. Bouwen. Hopen. Genieten. Jij weet dat. En je blijft erin geloven. Ondanks alles.

Want ik verwaarloos jou. Bewust. Zo eerlijk moet ik zijn. Als ik zo eens naar je kijk, realiseer ik me eigenlijk dat ik je helemaal niet nodig wil hebben. Het slaat nergens op, dat ik afhankelijk van je ben. Ja. Reageer maar niet. Zo gaat het altijd. Ik heb iets beters te doen. En jij niks beters te zeggen. Het ligt aan het tijdstip. Ik kan nu alleen maar naar je kijken. Ik wil niks weten van fysiek contact.

Ik kan mijn energie wel beter gebruiken. Kom nou.

Ik ben geen krijger. Niks is gratis. Ik ben een strijder, tot het te laat is. Te laat om te slapen. Op tijd om te schrijven. Om muziek op te zetten. En wakker te blijven. Tot laat in vroeg verandert. Tot de trams weer rijden. De buren ontwaken. Tot de vogels fluiten. En de zon om de hoek komt kijken. Dat gaat zo. Ik doe veel, dus ik slaap weinig. En je zegt er nooit iets van. Omdat je weet, dat ik uiteindelijk toch wel bij jou uitkom. Want zo gaat het. Jij laat mij met rust.

En wanneer ik het hatelijke geluid van mijn drie wekkers hoor, mis ik je. Meteen. Ook al ben ik nog in je buurt. De suis in mijn oor, is niet jouw schuld. Die komt voort uit totale vermoeidheid. Een semivrijwillig slaapgebrek. Ik moet jou daar niet op aankijken. Ik meen ook niet alles van wat ik tegen je zeg. Ik wil je de les niet lezen.

Je bent mijn alles. Overdag.

Ik mis je, als ik niet bij je ben. Maar meer nog, als we samen zijn. Het meest wanneer ik besef, dat ik je terstond zal moeten verlaten. Juist dan wil ik in je verdwijnen. Dan wil ik je kussen. En je matras. Je dekbed. Met je liggen. Waterpas. Jij bent mijn bed. Waar het opgelaaide vuur dooft. Voor even. Alle hens aan dekbed. Tot het weer aanwakkert. En ik wakker word.

0