Ik moet vaak vroeg mijn bed uit. Ik word altijd later wakker dan ik opsta. Tot een uur of tien in de ochtend, opereer ik op de automatische piloot. Dat blijkt vaak een brokkenpiloot te zijn, overigens. Vóór 7:00 uur gebeurt het geregeld dat ik per ongeluk mondwater doorslik. Of met het scheerschuim nog achter mijn oren de deur uit loop. Of er onderweg naar de metro achterkom, dat ik vergeten ben om een broek aan te trekken. Lach maar.

Moeilijk kunnen opstaan, is niet leuk. Niet dat ik kots op de morgenstond, maar ik behoor nu eenmaal tot de nachtbrakers. De maan is mijn beste vriend. Mijn dagelijkse schema klopt niet. Ik ben een blanke jongeman en daarvan is nu eenmaal bekend dat ze geen ritme hebben. Soms vraag ik me oprecht af of het met mij wel goed zal komen. Ik wil ‘s avonds mijn bed niet in en er ‘s ochtends niet uit.

Vaak geef ik andere dingen de schuld van mijn slechte relatie met de wekkerradio. Nooit mensen, altijd dingen. Dingen waar ik sowieso al een bloedhekel aan heb, maar die ik door mijn nachtelijke activiteiten alleen maar meer veracht. Mijn universiteit bijvoorbeeld. Ik kom er niet graag voor mijn bed uit, omdat ik het er geen seconde naar mijn zin heb.

Op dagen dat ik erheen moet, is opstaan alleen maar zwaarder. Ik voltooi die missie, spring onder de douche, eet wat en duik met het lood in mijn rugzak het openbaar vervoer in. Sennheiser-oordopjes in, School Spirit van Kanye West op. Wachten tot ik medereizigers met een humeur in plaats van humor mag verlaten. Dan stap ik uit en slof ik van de halte naar de hoorcollegezaal. Daar doe ik mijn oordopjes uit. Anders versta ik degene naast me niet, in het anderhalf uur dat volgt.

Hoorcolleges. Ik hoor, maar luister niet. Hadden ze het maar luistercolleges moeten noemen. Ik ben er, dat telt voor mij. Ik heb mijn afkeer van klakkeloos overschrijven wat een ander roept zonder dat ook maar een seconde in twijfel te trekken, overwonnen. Dit maakt mij slimmer. Ik ben te oud om buiten te spelen op een doordeweekse dag en kan deze tijd al helemaal niet besteden aan het verdienen van broodnodige centjes. Broodnodig. Ik heb niet eens brood nodig. Ik kan leven van wat mij hier verteld wordt, daar geloof ik in.

Zo blijf ik gemotiveerd.

Werkgroepen zijn namelijk nog erger. Je ruilt de honderden medestudenten uit de hoorcollegezaal in voor een stuk of dertig supergemotiveerde, vaak kakkineuze, meer dan eens overijverige, af en toe betweterige en immer veel intelligentere studiegenoten. Casussen oplossen? Wachten tot de werkgroepdocent het antwoord geeft! Want spreken in een groep, dat word je niet geleerd op de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Zoals ook andere elementaire competenties niet in het onderwijsprogramma voorkomen. Absorbeer een week of tien wat men vertelt, sla het op, spuug het uit op het tentamen en haal weer een universitaire voldoende. Sleep je Bachelor en daarna je Master binnen. Zo snel mogelijk. Dan ben je iemand.

Relevante werkervaring, bestuurservaring en levenservaring zijn waardeloos. Hetzelfde geldt voor vrijwilligerswerk, maatschappelijke stages, sociale vaardigheden en elke vorm van zelfontplooiing. Boycot je sociale contacten, studeer je suf, zie kennis aan voor wijsheid, studeer zo jong mogelijk af en zoek werk. Groentjes, daar houden ze van op de arbeidsmarkt. Theorie is alles. Je rijbewijs kun je ook halen zonder praktijklessen. De universiteit is geen productiefabriek, het lijkt alleen maar zo.

Goed. Ik heb nogal wat aan te merken op het universitaire systeem. Voor mij werkt het niet. Maar erop schelden is niet eerlijk.

De fout ligt namelijk bij mij, ontdekte ik onlangs. Ik droom namelijk van een wereld waarin het behalen van een diploma niet leidend is. Alsof ik iets bereik, zonder dat papiertje. Ik tel liever vliegtuigen dan dat ik door wettenbundels blader. Daar komt bij, dat ik de campus ‘school’ en colleges ‘les’ noem. Ik studeer niet, ik ‘leer’. Ook noem ik docentes steevast ‘juf’. Ik lijk wel een klein kind. Ik groei selectief op. Ik ben best volwassen. Behalve op school, in de les, als ik leer, tegenover de juf. Niet het systeem, maar ik ben de boosdoener. Ik wil te veel, buiten de collegebanken. Of ik kan te weinig, binnen de leslokalen en tentamenzalen. Ik ben mijn eigen frustratie.

Ik moet de intellectuele rituelen omarmen, genieten van elke dode letter en vooral kijken naar landen waar onderwijs niet of nauwelijks bestaat. Na dat laatste, moet ik mij in een hoekje gaan schamen. Denken aan landen waar het onderwijs niet of nauwelijks ontwikkeld is. Tot ik huil van spijt en schaamte. Ons systeem klopt, namelijk. Het is logisch. Ik behoor tot de toekomstige top van onze maatschappij. Ik ben een leider van morgen, want ik studeer. Ik moet mijn bedenkingen aan de kant schuiven en meedoen. Alles zal mij een eenheidsworst zijn, ik studeer. Dus ik tel sowieso mee, als ik later groot ben. Dit is mijn pad, ik ga het maken. Alles wat ik moet weten, alles wat telt en alles wat mij later iets oplevert vind ik op de campus. Met mij komt alles goed.

Ik word academicus. Dus.

0