Hem stevig bij z’n strot pakken en die dan dichtknijpen tot ik z’n rotkop blauw zie worden. Tot ik de arrogantie in z’n ogen zie omslaan in angst. Pure angst. Voor de dood, voor mij; als het maar angst is. Ik wil het zien. Voelen. Dat gevoel, zou genoeg zijn. Daarna zou ik ‘m los laten. En ‘m horen kuchen. Hoesten. Proesten.

Terwijl hij enigszins opgelucht op de grond zou liggen, zou ik me bedenken. Wat ik net zag, was toch niet genoeg. Ik zou ‘m verplichten zijn shirt uit te doen. Ja, ook zijn hemd. Dat geeft namelijk een veel beter geluid, als ik mijn broekriem af doe en hem daarmee afransel. Het petst en kletst zo lekker. En het doet veel pijn. En dat moet hij lijden, pijn. Lijden moet hij.

Opstaan moet hij, tijd voor echte klappen. Harde stoten, met twee gebalde vuisten, boven op zijn neus. Ik help ‘m opstaan, elke keer dat hij valt. Blijven staan, moet hij. Vangen. Tot mijn knokkels pijn doen, zijn wenkbrauwen open liggen, z’n ogen half dicht zitten, er bloed uit z’n neus komt en hij een paar tanden mist. Tot hij huilend op de grond ligt.

Nog een paar ferme trappen, terwijl hij me smeekt om te stoppen met schoppen. Ik wil ‘m horen smeken, terwijl ik zijn nieren kapot maak. En z’n maag. Zoals Roberto Carlos vrije trappen nam, in z’n buik, tot ik ‘m haast over zie geven. Tot hij me smeekt om te stoppen. Dan stop ik.

Bijna, want dit voelt goed. Macht. Controle. In de wetenschap dat ik allang gewonnen heb, terwijl ik hem telkens op zie krabbelen, terwijl ik weet dat niemand hem hoort of ziet en dat hij mij helemaal niets kan maken, zou ik ‘m nog één keer optillen. Optillen en door de glazen deur van de woonkamer gooien.

Ik zou de stok pakken, zijn stok. Los gaan op zijn rug, de riem gaf immers alleen maar striemen en wat open wondjes. De stok geeft tenminste blauwe plekken, zwellingen. Hij probeert zich klein te maken en zijn gezicht te beschermen, dat mag. Tot hij om genade schreeuwt, tot hij krijst dat ’t hem spijt. Terwijl ik niet eens wat hij gedaan heeft.

Alhoewel.

Jawel, ik weet het wel. Daarom was ik hier. Dat is het verschil tussen hem en mij. Ik wéét waarom het zwart voor mijn ogen wordt, als het zwart voor mijn ogen wordt. Ik weet niet meer wát ik doe maar wel waaróm ik het doe. En er is nog een verschil tussen hem en mij.

Ik grijp geen vrouwen en kinderen. Zeker niet als het mijn eigen vrouw en kinderen zijn. Zeker niet als ik niet zeker weet, dat niemand van mijn kinderen omgaat met mensen die gek genoeg zijn om wraak te nemen. Maar goed. Tijd voor de finale. Tenminste, we zitten al een tijdje in de blessuretijd van de finale natuurlijk. Tijd om af te blazen.

Zo zou ik het laatste fluitsignaal laten klinken. Precies zo. In het volledige besef dat wraak nemen erg slecht is (een ieder krijgt vanzelf de straf die ‘m toekomt, zulke dingen) en dat hier waarschijnlijk een fikse celstraf op staat. Soms maakt alles je even niks meer uit. Ik finish hem. Niet in besloten kring, niet in het geniep. Gewoon in de voortuin of op straat, waar veel mensen het kunnen zien. Waar de hele wereld mee kan genieten. Niet binnen.

Want man, wat kan ik slecht tegen huiselijk geweld.